¡Hola! Fijn dat je samen met je kind Spaans kookt. Met deze 6 trucjes spreek je de woorden van de kaartjes en uit Abuela's Kookboek meteen goed uit.
1. De stille H
Zie je een h aan het begin, zoals bij huevo (ei)? Die zeg je niet! Je zegt gewoon: WE-bo. Zo zeg je harina (bloem) als a-RI-na en horno (oven) als OR-no.
Pas op: de j zeg je juist wél, heel hard in je keel. Ajo (knoflook) klinkt als A-go.
2. De dubbele LL
Zie je twee l'en naast elkaar, zoals bij cebolla (ui)? Dan zeg je geen l, maar een j: the-BO-ja. Zo klinkt tortilla als tor-TI-ja.
Zoek maar in je kaartjes: hoeveel LL-woorden vind jij?
3. Het streepje
Zie je een streepje op een letter, zoals bij azúcar (suiker)? Dat streepje zegt: hier praat je het hardst! Je zegt: a-THOE-kar. Zo ook atún (a-TOEN) en sartén (sar-TEN).
Pas op: polvorón klinkt als pol-bo-RON.
4. El of la?
In het Spaans is elk woord een jongen of een meisje. Eindigt het woord op -o? Dan zeg je el: el huevo, el plato, el rodillo. Eindigt het op -a? Dan zeg je la: la tarta, la patata, la cuchara.
El en la betekenen allebei: de.
5. Eén of meer?
Heb je er meer dan één? Zet er dan een s achter: huevo → huevos (eieren), tomate → tomates (tomaten).
Eindigt het woord op een medeklinker? Dan zet je er es achter: limón → limones (citroenen).
Hoeveel huevos gaan er in de tortilla?
6. De zachte C
Staat er een e of i achter de c, zoals bij cebolla (ui)? Steek dan je tong tussen je tanden: the-BO-ja. De z zeg je ook zo: azúcar klinkt als a-THOE-kar.
Maar bij ca, co en cu zeg je gewoon een k: canela, colador, cuchara.
¡Buen provecho! Veel kook- en leerplezier samen.
Hola Kiki